|
Post Gevat: Brief van Ann Verscuren aan de abdij van Averbode
Ann Verscuren zorgde voor post uit Kopenhagen, al is die deze keer behoorlijk Vlaams getint. Onze briefschrijfster uit Denemarken kwam voor haar 40ste verjaardag speciaal naar België, naar een plek die haar dierbaar is. Beste abdij van Averbode
Wat was het lang geleden dat ik me nog eens binnen jouw muren bevond!
Ik herinner me nog goed hoe mijn vader ons als kind op warme zomeravonden in de auto laadde om ons te tracteren op een fameus "krèmmeke van Averbode" . Dan liepen we al ijsjeslikkend jouw poort door en ademden op het voorplein jouw stilte in.
Later, toen ik 18 was, kwam ik bij jou op abdijkamp. Mijn ouders reden me netjes door jouw poort, het binnenplein op, waar ik mijn kleurige tassen en mijn tentje uit de auto laadde. Het thema van dat kamp raakte me: "Er wordt op jou gewacht". Blijkbaar had ik ook op jou gewacht, want ik voelde me thuiskomen. Een gespreksgroepje van jongeren en paters - boeiend. Meekwelen met het kamplied - zalig. Diepzinnige briefjes schrijven naar elkaar - gelijkgestemden vinden. Buiten eten én afwassen - lekker eenvoudig. De goeie raad van de anciens volgen en stiekem gaan douchen in jouw gastenverblijf - spannend. En tussen dat alles door de stilte. Een stilte die voor mij altijd wit van kleur was. Het ruisen en buigen van witte pijen in de kerk leek wel een choreografie. Of in de verte een pater zien lopen, terwijl de wind met zijn wit gewaad danst. Zo mooi als poëzie.
Nog later kwam ik zelf met mijn tweedehandsautootje door de poort gereden om bezinningsdagen te begeleiden voor jongeren. Altijd een avontuur om dan samen met de paters in stilte te eten in jouw refter. Hun hevige gebarentaal om toch maar de choco te bemachtigen, zorgde gegarandeerd voor heel wat onderdrukt geproest.
En nu, nu kwam ik terug uit bij jou, om mijn 40ste verjaardag te vieren. Dat wilde ik in stilte doen, en vier dagen zenmeditatie op een plek waar ik een verhaal mee heb, leken daar wonderwel bij te passen. Opnieuw reed ik door jouw poort, met een geleende auto deze keer. Tot mijn ontroering was de zendo, de plek waar we mediteerden, ingericht bóven deze poort. Als ik op mijn kussen zat, hoorde ik áchter mij het geraas van de wereld, voelde ik vóór mij de rust van jouw eeuwenoude geschiedenis, en wist ik ónder mij de mensen die van het ene naar het andere gingen. Wij zaten letterlijk op de grens.
Ook in mij raasde vanalles: dingen die ik doen moest, herinneringen, spijt, innerlijk gevloek omdat mijn knieën begonnen te steken of mijn voet sliep. Maar heel af en toe kwam ik door de poort op mijn eigen binnenplein van stilte terecht. En knikte iets in mij "jaa" als we de woorden zeiden: "Hoe ontelbaar de levende wezens ook zijn, ik beloof ze alle te redden." Het is niet te vatten, dat redden en gered worden, het valt eigenlijk niet te geloven, en je kan er vooral niets mee als je later hoort dat er twee treinen tegen elkaar geraasd zijn. En toch. En toch verlang ik ernaar dat het raakt aan die woorden die ik eerder hoorde: "Er wordt op jou, op ons gewacht".
Op mijn verjaardag zelf, begon het zacht te sneeuwen. Zonder een woord te zeggen, liepen we door de vlokken. Aandachtig. Elke vlok leek een kadoo voor mij. Alle vlokken samen leken een choreografie. In het wit. Zo mooi als poëzie.
dankjewel abdij, dat ik mocht komen en weet dat ik terug mag komen,
op mijn tijd of op de jouwe
ann
|